Sprongkompas
Goed gedrag in de klas en op school is een basisvoorwaarde om tot leren te komen. Het ontwikkelt zich niet spontaan, maar is het resultaat van een integraal schoolbeleid waarbij we:
-
duidelijke en hoge verwachtingen stellen voor alle leerlingen;
-
leren en positief gedrag ondersteunen en ongewenst gedrag wensen te voorkomen;
-
gedragsverwachtingen benoemen, aanleren, oefenen en herhalen;
-
doordachte ondersteuning geven wanneer leerlingen moeite hebben om aan de verwachtingen te voldoen;
-
consequent, samenhangend en voorspelbaar handelen met het volledige schoolteam;
-
leerlingen en ouders actief betrekken.
Wat leerlingen op school leren over gedrag, reikt bovendien verder dan de klas. De school is ook een belangrijke oefenplaats om sociale vaardigheden, zelfregulatie en omgangsvormen te ontwikkelen, die kinderen meenemen naar hun verdere leven.
Duidelijke kernregels en routines binnen onze school dienen bij leerlingen:
-
voor rust en voorspelbaarheid te zorgen;
-
de nood aan voortdurende correcties of sancties te verkleinen.
Zo ontstaat er meer ruimte voor positieve feedback en respectvolle relaties.
Het ‘Sprongkompas’ helpt leerlingen, ouders en alle leerkrachten en andere medewerkers te navigeren naar de correcte schoolbrede gedragsverwachtingen. De vier (4) windstreken of richtingen brengen ons naar de kernregels van De Sprong:

Wij tonen respect voor elkaar
en accepteren dat iedereen anders is.

We zijn verantwoordelijk voor onszelf, elkaar, onze spullen en de school.
Wij willen graag een sprong vooruit nemen en gaan uitdagingen aan.
We lossen zaken op door met elkaar te praten en naar elkaar te luisteren.


Contacteer ons
Het doel is dat leerlingen niet alleen ‘braaf’ zijn omdat de leerkracht kijkt, maar omdat ze intrinsiek begrijpen welk gedrag bijdraagt aan een veilig, rustig en aangenaam leer- en leefklimaat. We maken deze verwachtingen concreet met volgende regels:
-
algemeen:
-
we zijn allen samen verantwoordelijk voor een goede sfeer en goed verloop van de schooldag;
-
we groeten elkaar en gebruiken beleefdheidswoorden (bv. alsjeblieft, dankjewel, goeiemorgen);
-
we spreken alle medewerkers van de school aan met juf of meester;
-
we komen op tijd op school: ‘s morgens om 8.25 u. en ‘s middags om 13.30 u.;
-
we laten elkaar uitspreken en luisteren naar elkaar;
-
we houden onze handen en voeten bij onszelf: geen fysiek geweld;
-
we dragen zorg voor de materialen en de schoolomgeving (bv. afval sorteren in de juiste vuilnisbak);
-
-
op de speelplaats:
-
we delen de speelruimte en het speelgoed: iedereen mag meespelen;
-
we spelen volgens de afgesproken zone- en materiaalregels (bv. geen harde ballen buiten het voetbalveld);
-
we lossen problemen op met ‘Stop! Hou op’ of vragen hulp aan de toezichthoudende leerkracht of vrijwilliger;
-
we melden agressie, geweld en uitsluiting aan de toezichthoudende leerkracht of vrijwilliger;
-
we brengen gevonden voorwerpen naar de toezichthoudende leerkracht of vrijwilliger;
-
we ruimen het speelgoed dat we genomen hebben bij het eerste (1e) of korte belsignaal zelf op;
-
we stoppen bij het tweede (2e) of lange belsignaal meteen met spelen en gaan op onze verzamelplaats in stilte in de rij staan;
-
-
in het toilet:
-
we respecteren de privacy van anderen (bv. niet onder of over deuren kijken, deuren op slot);
-
we wachten rustig onze beurt af of kloppen op de deur als het bezet is;
-
we spoelen altijd door na gebruik en gooien het toiletpapier in het toilet;
-
we wassen onze handen met zeep en drogen onze hand met papier dat we na gebruik in de vuilnisbak gooien;
-
we gaan rechtstreeks naar de toiletruimte en komen meteen weer terug: het is geen speelplek;
-
-
in de gang (en op de trap):
-
we verplaatsen ons in stilte;
-
we stappen altijd rustig en houden rechts aan op de gang en de trap;
-
we houden de trapleuning vast en nemen de treden één voor één;
-
we houden de doorgang vrij voor anderen;
-
we hangen onze jas en ander materiaal netjes aan de kapstok en zetten de boekentas in het vakje onder de kapstok;
-
we bergen onze fruit-, koek- en boterhamdoos en drinkfles in de juiste bak;
-
we rapen het op als er iets valt, ook als het niet van ons is;
-
-
in de klas:
-
we gaan op onze vaste plaats zitten bij de start van de dag;
-
we zitten klaar met de juiste materialen bij de start van de les;
-
we zitten correct op onze stoel en houden de looproutes tussen de banken vrij;
-
we werken rustig en geconcentreerd aan onze eigen taak;
-
we luisteren naar elkaar en laten de ander uitpraten (bv. vinger opsteken als we iets willen zeggen);
-
we spreken met een vriendelijke toon tegen de klasgenoten en leerkrachten;
-
we leren van onze fouten en proberen elkaar hierin te steunen;
-
we zijn zorgzaam voor onze eigen spullen, die van de klasgenoten en van de school;
-
we gebruiken materialen (bv. meetlat, geodriehoek, passer, schaar …) alleen waarvoor ze bedoeld zijn;
-
we ruimen onze eigen bank en klas op het einde van de dag netjes op;
-
-
in de eetzaal:
-
we blijven op onze vaste plaats zitten tijdens het eten;
-
we praten op een normale, rustige toon met onze tafelgenoten;
-
we hebben tafelmanieren: we praten enkel met een lege mond en eten met bestek waar nodig;
-
we proberen onze boterhamdoos of bord leeg te eten en laten geen eten rondslingeren;
-
we stappen rustig bij het halen van warm eten of drinken;
-
we maken na het eten onze eigen tafelplek schoon en we sorteren het afval correct;
-
-
bij activiteiten en uitstappen:
-
we zijn van De Sprong en laten ons graag zien: we dragen onze fluojas (en fietshelm bij gebruik van de fiets) bij alle verplaatsingen en activiteiten buiten de school;
-
we zijn een waardig ambassadeur voor onze school: we zijn beleefd tegen gidsen, buschauffeurs en voorbijgangers;
-
we blijven altijd bij de toegewezen groep en luisteren direct naar de instructies van de begeleiders (bv. leerkracht, gids, vrijwilliger);
-
we letten goed op onze eigen spullen (bv. rugzak, jas, drinkbus) tijdens de verplaatsingen;
-
we passen ons volume aan en raken niets aan, tenzij het mag, in musea, theaters, kerk, bibliotheek …
-
Van storend naar sterren-gedrag
Kinderen maken nu en dan fouten. Dat is eigen aan het groeiproces van elk kind. Kinderen kunnen leren uit de fouten die ze maken. Onze school wil hierop inzetten door dialoog en herstel alle kansen te geven: van storend gedrag stap voor stap naar sterren-gedrag. In overleg met de betrokkenen gaan we op zoek naar een gepaste maatregel of een mogelijke oplossing. Op die manier kunnen kinderen mee de verantwoordelijkheid nemen om een oplossing te zoeken voor het conflict of om hun fout goed te maken.
We zetten in op een verbindend schoolklimaat, sociale en digitale vaardigheden en initiatieven die het welbevinden en de verbondenheid van leerlingen versterken. Onze visie en pedagogisch project verwijst hier duidelijk naar: ‘We zorgen voor jou én iedereen … We zijn een zorgzame school, waarbij elk kind zich veilig mag voelen, openbloeien en zichzelf ontplooien volgens de eigen mogelijkheden.’
Vanuit het pedagogisch project is er een goed uitgewerkt zorgbeleid, gebaseerd op het handelingsgericht werken. Het zorgbeleid wordt gedragen door de zorgcoördinator en ondersteund door de directeur en de zorgleerkracht(en).
Alle medewerkers op school proberen een vertrouwensrelatie op te bouwen met de leerlingen door duidelijke afspraken te maken, door de hen positief te bevestigen, naar hen te luisteren (individueel of in groep) en door eerlijk en consequent te zijn tegen iedereen.
Bij het begin van het schooljaar en ook telkens na elke vakantie zetten we als school in op het aanleren, inoefenen en onderhouden van de kernregels van het ‘Sprongkompas’ en routines. We maken hiervoor binnen het team afspraken zodat in elke klas dezelfde regels en routines op hetzelfde ogenblik aandacht krijgen. Ook tijdens het ‘Sprongmoment’ brengen we telkens een kernregel en routine aan, terwijl de ‘Sprongies’ op cruciale punten visueel aanwezig zijn om iedereen te herinneren aan de juiste regels en routines. In de klas wordt dit verder met specifieke klasafspraken verfijnd.
Om het welbevinden en de verbondenheid te versterken, werken we met de ‘talentenarchipel’. We zetten hiermee de talenten van de leerlingen in de kijker. Doel is om de talenten-kiemen die al bij de kinderen aanwezig zijn, verder te laten ontwikkelen. Zo leren zij zichzelf beter kennen en vergroot hun zelfvertrouwen. Aan de talentenarchipel is ook een reflectie gekoppeld. Bij elk rapport vullen de leerlingen zelf een talentenkaart in. Daarop komt hoe ze zich op een bepaald eiland voelden en wat ze er gedaan hebben.
Daarnaast besteden we ook ruime aandacht aan relationele vorming. Hiermee willen we het zelfvertrouwen bij de leerlingen verhogen. In alle klassen, zowel in het kleuter als het lager, komen thema’s als ‘welkom’, ‘samen vrienden’, ‘gevoelens’ … aan bod. Er wordt gewerkt met verschillende werkvormen, waaronder groepswerk. Soms werken klassen voor een thema samen, in groep of kleinere klasdoorbrekende groepjes. Er wordt samen op uitstap gegaan, zowel daguitstappen als kleinere uitstappen. Om de twee (2) jaar gaan de klassen van het lager op meerdaagse uitstap: boerderijklas, zeeklas en bosklas. Op die dagen leren kinderen elkaar op een andere manier en op een andere plaats beter kennen en appreciëren.
Er worden dagelijks ook heel veel kleine activiteiten gedaan en gesprekjes gevoerd die een positief leefklimaat op school bevorderen.
Naast welbevinden en verbondenheid zetten we ook in op het actief voorkomen van grensoverschrijdend gedrag en pesten door na te gaan waar er risicosituaties zijn en daar aanpassingen aan te doen. In de eerste (1e) plaats proberen we zoveel mogelijk ‘te zien’, zodat we kunnen inspelen op een concrete situatie, rekening houdend met de mogelijkheden en het karakter van de kinderen. We proberen alles door een positieve bril te bekijken. We vermijden het woord ‘niet’ maar formuleren de regels en afspraken positief.
In de loop van hun schoolloopbaan worden de leerlingen tijdens de lessen heel veel tools aangereikt, tips en levenslessen gegeven om op een vredevolle manier samen te leven. Ze worden o.a. aangeleerd om:
-
te leren luisteren naar elkaar;
-
respect te hebben voor alles en iedereen;
-
te praten over hun gevoelens en dit niet alleen als ze zich niet goed voelen;
-
iets positiefs te zeggen over iemand anders;
-
‘Stop! Hou op …’ te zeggen en aan te geven als ze iets niet fijn vinden;
-
ik-boodschappen te geven;
-
kinderen die hen niet zo goed liggen met rust te laten;
-
verschillende stappen te zetten om een conflict op te lossen;
-
te melden als ze iets zien wat niet kan, want melden is niet hetzelfde als klikken.
We starten de dag met een zachte landing. Daarnaast geven we de leerlingen maximale bewegingsruimte tijdens de pauzemomenten. Zo hebben de kleuters en leerlingen van het lager in de morgen en middag hun eigen speeltijd en de volledige speelplaats ter beschikking. We houden hierbij actief toezicht op minder zichtbare plaatsen en op momenten waarop veel leerlingen samen zijn. Na elke pauze verzamelen de leerlingen op het verzamelpunt van hun klas om samen met hun leerkracht terug naar de klas te gaan.
Omdat grensoverschrijdend gedrag geen vaststaand gegeven is, gebruiken we op school een vlaggensysteem om situaties in te schatten en gepast te reageren:
-
groene vlag is goed tot uitstekend gedrag;
-
gele vlag is licht grensoverschrijdend gedrag;
-
rode vlag is ernstig grensoverschrijdend gedrag;
-
zwarte vlag is zeer ernstig grensoverschrijdend gedrag.
Met het vlaggensysteem streven wij drie (3) doelstellingen na en helpt het kinderen om:
-
te komen tot een genuanceerde inschatting van grensoverschrijdend gedrag (de kleur van de vlag geeft de ernst van de grensoverschrijding weer en geeft een meer objectief antwoord op de vraag welk gedrag oké is, welk niet en waarom);
-
de bespreekbaarheid van het grensoverschrijdend gedrag te vergroten (het creëren van een cultuur op school waarin er vooraf principes worden uitgeklaard, afspraken worden gemaakt, voor er incidenten voordoen over oplossingen worden nagedacht en ook positief gedrag bespreekbaar maken);
-
een gepast antwoord of reactie te voorzien op grensoverschrijdend gedrag (een gesprekskader en objectief reactiebeleid bieden).
De reactie op het gedrag hangt af van de kleur vlag die de situatie krijgt. We beperken ons niet enkel tot grensoverschrijdend gedrag. Bij een groene vlag is het gedrag goed tot uitstekend. Ook dit gedrag willen we bespreken. Dit doen we door het gedrag:
-
te benoemen;
-
te bevestigen;
-
uit te leggen waarom het goed tot uitstekend is.
Bij een gele, rode en zwarte vlag:
-
benoemen we het gedrag met wat oké en niet oké is;
-
bespreken we de gedachten en gevoelens van de betrokkenen;
-
begrenzen (geel) of verbieden (rood en zwart) we zaken die niet oké zijn;
-
maken we afspraken naar de toekomst met inzet op herstel en nazorg;
-
bespreken we de gevolgen en voeren deze uit (rood en zwart);
-
rapporteren we het gedrag en gevolgen (rood en zwart).

Contacteer ons
Voor jezelf opkomen en je grenzen aangeven, kan voor kinderen best lastig zijn. Ze moeten zich bewust zijn van wat ze vervelend vinden en dat ook durven aangeven op een handige manier.

Met ‘Stop, hou op!’ mogen kinderen altijd zeggen als er een grens is bereikt en zij iets niet willen. Het is een simpel zinnetje wat rijmt en goed is te onthouden. Aan de methode hangen vier stappen die we met een poster en eenvoudige visualisatie onder de aandacht brengen en regelmatig herhalen:
-
stap 1: zeg duidelijk aan de andere(n) wat je stoort of wat je voelt;
-
stap 2: vraag beleefd aan de andere(n) om te stoppen;
-
stap 3: indien dit niet lukt, vraag het nog een keer;
-
stap 4: lukt dit nog niet, vraag hulp aan een leerkracht.
Alleen ‘Stop, hou op!’ zeggen is niet voldoende, het gaat er vooral om hóe een kind het zegt. Soms is ‘Stop, hou op!’ niet concreet of duidelijk genoeg voor de andere. Hij/zij snapt niet wat je vervelend vindt. Daarom is het belangrijk dat elk kind leert om duidelijk te vertellen wat hij/zij vervelend vindt, zoals bv.
-
‘Ik vind het niet leuk dat je me duwt, stop ermee!’;
-
‘Het doet pijn als je in mijn oor schreeuwt, praat wat zachter’;
-
‘Geef het terug, want ik was ermee aan het spelen’;
-
‘Ik wil niet dat je voordringt, want ik ben nu aan de beurt’;
-
‘Ik vind het niet aardig als je dat zegt, hoe vind je het als ik dit tegen jou zeg?’;
-
‘Ik vind het vervelend dat je me steeds tikt, hou ermee op’;
-
‘Ik vind het niet meer leuk en wil dat je stopt’.
Of er wordt zo vaak ‘Stop, hou op!’ gezegd dat het niet meer zoveel indruk maakt op de andere.
Ook wanneer een kind half lachend roept dat de ander moet stoppen, heeft deze niet door dat hij/zij het niet leuk vindt. Als een kind iets vervelend vindt, kan het helpen om zijn wenkbrauwen te fronsen en streng/boos te kijken naar de ander.
